Beilen

Waarom ik naar Beilen wilde weet ik nog steeds niet helemaal, maar dat ik niet naar Beilen had moeten willen weet ik inmiddels wel. En ik had het kunnen weten, want lang geleden – we spreken over het jaar 2003 – liep ik er op een zwoele maar verpeste zomeravond al eens verdwaasd rond, wanhopig zoekend naar een niet aanwezige fatsoenlijke eetgelegenheid. Zo had Beilen zich als een ellendig oord in mijn geheugen gevestigd. Misschien wilde ik zien of dat ook werkelijk zo was. En ja, Beilen ís een ellendig oord.

In 2003 verbleef ik voor niet nader te noemen werkzaamheden regelmatig een week in Assen, waarbij ik – wegens gebrek aan een fatsoenlijk hotel in de Drentse hoofdstad – overnachtte in een inmiddels afgebroken hotel in Rolde, waar ik aldus min of meer tot de vaste clientèle behoorde. Op een zekere avond verscheen ik in het hotel, waarop de eigenaar verbleekte. Door een miscommunicatie had hij geen kamer voor me gereserveerd en net die week was het hotel wegens mij thans niet meer bekende feestelijkheden – Pinksteren, Hemelvaartsdag, de Drentse rijwielvierdaagse – geheel volgeboekt. Na zich omstandig te hebben geëxcuseerd stond de man erop om een kamer in een nabijgelegen, bevriend hotel te boeken. Hoewel ik hem zei dat zulks niet nodig was – ik weet graag vooraf waar ik terechtkom en had allang bedacht dat ik zou uitwijken naar het Van der Valk-hotel in Spier – insisteerde hij en voor ik het wist had de hotelier al een collega aan de lijn van een uitspanning in Westerbork, een plaats waaraan ik toen al slechte herinneringen had, maar dat is een ander verhaal. Voor ik kon protesteren had hij al een kamer voor twee nachten voor me geboekt in het hotel in Westerbork waarvan de naam mij inmiddels is ontschoten.

Daar aangekomen vroeg ik de receptionist of ik zo op het terras nog wat kon eten. Als ik snel was, antwoordde hij, want om half acht – dat was over vijf minuten – zou de keuken sluiten. Ik zei hem dat ik me nog snel even iets wilde opfrissen, en of de keuken dan voor mij iets langer open kon blijven. Hij keek wat bedenkelijk, maar zei toen dat dat wel zou lukken.

Toen ik even later op het terras zat tussen de vakantie vierende gezinnetjes en na lange tijd de aandacht van een ongeïnteresseerde ober wist te vangen, zei die – toen ik om de menukaart vroeg – dat de keuken gesloten was, waarop ik riposteerde dat de receptionist mij had toegezegd dat ik nog wel een maaltijd zou kunnen nuttigen. De ober haalde zijn schouders op, liep mompelend weg om even later terug te komen met de mededeling dat de keuken toch echt dicht was.

Dat had voor mij natuurlijk het teken moeten zijn om mijn spullen te pakken en het hotel onmiddellijk te verlaten. In plaats daarvan verliet ik slechts het terras. In “Gastvrij Westerbork” was geen eetgelegenheid te vinden, en dus reed ik naar het nabijgelegen Beilen, in de – foutieve – gedachte dat dit een provinciestadje zou zijn. Dat is het niet.

Beilen is een uit de kluiten gewassen boerendorpje met een centrum van een handvol haaks op elkaar staande straten in de schaduw van een melkfabriek, de DOMO (later na een reeks fusies onderdeel van Frico/Domo, Friesland Frico Domo en FrieslandCampina), waarvan het terrein een groter oppervlak beslaat dan dat van het dorpscentrum. De inwoners van het dorp moeten zich nietig voelen naast zo’n industrieel complex, en dan begrijp je waarom ze zich in zichzelf gekeerd, wezenloos voor zich uit of naar de grond starend door het dorp voortbewegen.

Niet dat ik dat die avond opmerkte. Er bewoog zich namelijk helemaal niemand voort in de straten van Beilen. In Beilen is op een doordeweekse dag na zessen hoegenaamd niets te doen. Niets. Een restaurant was hier al helemaal niet te ontdekken, althans geen eetgelegenheid die open was. Wellicht – mijn geheugen laat me hier in de steek – dat zich ergens een vettig cafetaria bevond dat níét gesloten was, maar daartoe wilde ik me niet verlagen.

Ten einde raad – het liep al tegen negenen – reed ik, Beilen vervloekend, naar het Van der Valk-hotel aan de snelweg bij Spier, alwaar ik in een steriele ambiance een wat fantasieloze, maar niet onsmakelijke maaltijd nuttigde, mezelf verwijtend dat ik niet doortastender de hotelier in Rolde had verhinderd zijn collega in Westerbork te bellen om linea recta naar deze vestiging met de toekan te trekken.

Terug in het hotel in Westerbork moest ik helaas constateren dat niet alleen de service gebrekkig was, maar ook de kamer armetierig. Voorzien van een morsig tapijt, met wanden die bruin uitgeslagen vochtplekken vertoonden en schimmelvlekken in de badkamer. Toen ‘s nachts de herrie van een airco-installatie boven mijn hoofd niet te harden bleek, nam ik het besluit hier geen nacht langer te blijven. In alle vroegte reserveerde ik een kamer in het meest luxueuze hotel in Groningen en annuleerde ik mijn tweede overnachting in het Fawlty Towers van Westerbork.

De volgende avond dineerde ik in de binnentuin van het Groningse hotel. Een perfect gegaard visje werd begeleid door een glas mooie Chablis. Zachte pianomuziek klonk uit het open raam van een van de omliggende herenhuizen, en opeens voelde ik me volmaakt gelukkig. Westerbork en Beilen waren op slag ver weg. Nooit ben ik meer in een van beide dorpen geweest.

Tot een onbekende drijfveer me vandaag naar Beilen dirigeerde. Het dorp is vooral bekend van de treinkaping bij Wijster in 1975. Het crisiscentrum was in Beilen gevestigd, en daar hield dus ook de pers zich op. Onder hen de schrijver Bob den Uyl, de te vroeg (1992) overleden onbetwiste meester van het ironisch observerende reisverhaal. Over Beilen schrijft hij onder andere (in Een zwervend bestaan uit 1977):

Beilen zal ik niet licht vergeten, het eenvoudige stratenplan staat in mijn geheugen gegrift. Van de bewoners heb ik weinig hoogte kunnen krijgen; wel heb ik gemerkt dat er veel merkwaardige mensen bij zijn, zoals de man die zijn fiets aan de hand meevoerde onder het uitroepen van “Ik heb een lekke band!” Niemand nam er notitie van, een teken dat zulke handelingen daar als normaal worden ervaren. Ook is het opmerkelijk dat deze kleine plaats niet minder dan twee winkels herbergt die zich uitsluitend wijden aan de verkoop van feestartikelen. Ze moeten een geduchte concurrentie te voeren hebben; de opplakbare dictatorsnor, geprikt op een kartonnetje waarop een Hitler-kop, kost in de ene zaak 2,25 en in de andere slechts 1,95. Ik zou wel weten waar ik mijn klandizie moest plaatsen, vooral ook omdat de goedkoopst noterende winkel de prachtige naam draagt van “Salon Modern”. Wie in staat is zoiets te verzinnen verdient het rijk te worden.’

Nu ik weer in ‘het hart van Drenthe’ (zoals Beilen zich afficheert) rondloop, ervaar ik niet de desolaatheid uit 2003, simpelweg omdat ik er toen in de avond was en niemand zich op straat bevond. Nu in de middag met zonnig weer, zijn de Beilenaren uit hun holen gekropen. Den Uyls opmerking over het ‘eenvoudige stratenplan’ herken ik, en herinner ik me ook van twintig jaar geleden. Drie straten recht, drie straten averecht, dan heb je het centrum van Beilen wel gehad.

De panden aan die straten zijn van een treurig stemmende lelijkheid. Smakeloze, naoorlogse nieuwbouw heeft vroegere, ongetwijfeld aardige maar kleine huisjes vervangen. Rommelig, goedkoop en afstotelijk. Ook de neringen die zich in de panden hebben gevestigd ademen een armoedige atmosfeer. Wie dacht dat lager dan de Blokker en de Wibra niet mogelijk was, moet eens een kijkje nemen in Beilen.

De winkels in feestartikelen die Den Uyl beschrijft, heb ik niet kunnen vinden. Ergens in de vijftig jaar na dato zijn ze ongetwijfeld opgeheven. In Beilen wordt niet meer gefeest.


Reacties zijn gesloten.

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

Ontwerp een vergelijkbare site met WordPress.com
Aan de slag