Het was vanochtend, toen ik de bus uitkwam na een matige nachtrust, zó warm in de zon, dat ik snel het kleine stukje schaduw opzocht van een armetierige struik aan de rand van het het veldje van camping De Appelhoek. Helaas bleek het vliegend en stekend insectendom, waaronder de door mij gevreesde paardenvliegen, ook veel van schaduw te houden en nog meer van mijn bloed, zodat ik bepaald niet rustig van mijn ontbijt kon genieten. Het werd wat beter toen ik de luwte van de bus verliet, waardoor ik helaas wel wat meer en vue kwam te zitten.
Na het ochtendtoilet en het inpakken van de bus vertrok ik van het campingterrein om via de dijk richting Enkhuizen te rijden. Vrijwel direct zie ik op het IJsselmeer een tweemaster die op koers ligt om relatief dicht langs de dijk te zeilen op het punt waar ik ben. Ik zet de bus aan de kant – dat kan op de smalle dijk net in een bocht waar het wat breder is – en wacht tot het vaartuig zich op de beste plek voor een staatsieportret met mijn bus bevindt.
Waar ik gisteren de voormalige Zuiderzee overstak via de Afsluitdijk voert mijn route me vandaag over de dijk Enkhuizen – Lelystad, officieel Houtribdijk geheten. Ooit aangelegd voor de inpoldering van de Markerwaard, welk onzalig plan ten lange leste is afgeblazen, waardoor er nu een tamelijk nutteloze dijk ligt, afgezien van zijn functie als autoweg.
Als ik de dijk opdraai, klinken plots etherische klanken uit mijn telefoon, nauwelijks hoorbaar boven het motor- en windgeruis. Het gezang is afkomstig uit de app Engelen/Angels die ik speciaal hiervoor heb gedownload, en die het audiokunstwerk van Moniek Toebosch ten gehore brengt voor wie op de Houtribdijk rijdt. Het is de voortzetting van de Engelenzender, de FM-radiofrequentie die tussen 1994 en 2000 deze klanken uitzond, ook alleen te horen op deze dijk.
Om wat beter te kunnen luisteren naar het engelengezang stop ik op de parkeerplaats Trintelhaven, ergens halverwege de dijk; een beetje een rommelige pleisterplaats waar toeristen, motorclubs en truckers een stop maken om even obligaat de dijk op te lopen of iets te nuttigen in het simpele koffietentje annex veredelde snackbar ter plekke.
Na door Lelystad te zijn gehobbeld om bij een supermarkt wat boodschappen te doen, pakte ik de snelweg om die bij Urk weer te verlaten. Via kaarsrechte polderwegen met karakteristieke polderbebouwing daarlangs, tufte ik richting Lemmer. In Tollebeek, een suf dorpje met een toegangsweg die vermomd is als een marktpleintje, zodat je er bijna niet met je auto overheen durft te rijden – misschien een tamelijk effectieve manier om vreemdelingen buiten te houden, reed ik eindeloos rondjes in de hoop om een goede positie te krijgen voor een foto van een intrigerende, modernistische kerktoren, waarin ik helaas niet slaagde.
Door Lemmer reed ik, waar ik een paar jaar geleden tijdens het skûtsjesilen twee dagen achtereen was geweest, zodat ik het daar een beetje kende, wat maar goed was ook, anders had ik niet geloofd dat de route die vriend Garmin voor me uitstippelde ergens toe zou leiden. Maar dat deed het wel, uiteindelijk naar mijn bestemming van de dag, te weten Molkwerum, waar camping ‘t Séleantsje – net buiten het dorp gelegen – bijna groter is dan het plaatsje zelf.

Op de iets apart van de camping gesitueerde campercamping had ik een plekje gereserveerd. Maar goed ook, want het was bomvol. Op een rijtje tussen een bataljon campers van het type koelkast vond mijn busje een plekje met zicht op de IJsselmeerdijk, met daarvoor een smal kanaal, dat Westervaart heet en meer een veredelde sloot lijkt, en een grasveldje. Een aardig uitzicht.

Zoals ik gisteren na me op de camping te hebben geïnstalleerd over de dijk naar Hoorn toog, zo fietste ik nu – ogen, neus en mond angstvallig beschermend tegen talloze zwermen muggen – naar het nabij Molkwerum gelegen Stavoren (of Staveren, of Starum, zoals de Friezen zeggen), een van de Friese elf steden, hoewel stad een wel erg megalomane aanduiding is voor dit plaatsje van nauwelijks meer dan drie straten (afgezien van een nieuwbouwwijkje en een stuk of vijf jachthavens). Ondanks die geringe afmetingen heb ik het vrouwtje van Stavoren overigens niet gezien, zodat ofwel ik niet goed heb gekeken, ofwel het vrouwmens eenvoudig verdwenen is.
Wel zag ik de fraaie fontein De Vis voor Stavoren van kunstenaar Mark Dion, een van de elf fonteinen die in 2018 in het kader van Leeuwarden als culturele hoofdstad van Europa in de Friese elf steden zijn geplaatst. De meer dan manshoge vis met wijd opengesperde bek spuit water uit zijn vlezige lippen uit zijn voorhoofd, en wordt inmiddels door toeristen meer gefotografeerd dan dat wat onopvallende vrouwtje uit Staverens legende.

Vlakbij de vis ligt de historische haven van Stavoren, waar met wat fantasie de sfeer van een welvarende Hanzestad nog hangt.

Op de terugtocht naar Molkwerum waren de muggen in nog groteren getale aanwezig dan op de heenweg, en ook buiten zittend bij de bus omringden de gevleugelde vrienden mij.


Voor deel 1 van deze trip: zie hier.