Slecht geslapen. Weliswaar ging de airco of de afzuiginstallatie van de hotelkeuken gisteravond laat uit, maar daar stond tegenover dat ik om 4.30 ‘s nachts werd gewekt door lawaai van een vrachtwagen en geluiden die wezen op bevoorrading van het hotel. Het kan ook de afvalophaling geweest zijn. In ieder geval was het niet zacht. Daarna een beetje af en aan geslapen.
Wel beschikte ik nu over stroom, dus kon ik koffie zetten en eindelijk lekker ontbijten, helaas niet in het zonnetje, want het zat helemaal dicht. Na het ochtendtoilet (in prima sanitaire voorzieningen) maakte ik een praatje met de aandoenlijke, hoogbejaarde man die met zijn oldtimer Mercedes campertje op het plekje naast me stond. De camper was van 1976, en de bezitter naar schatting nog minstens dertig jaar ouder.

Ik maakte nog een foto van het fantastische uitzicht aan de andere kant, op een soort fabriekshal.

Daarna brak ik op voor de reis richting Rømø. Hoewel ik van tevoren had bedacht dat ik de B5 moest blijven volgen, liet ik me verleiden door Husum te rijden. Dat ging weliswaar redelijk snel, maar om het stadje heen rijden zou sneller zijn geweest. Even later stuurde de Garmin me weer van de B5 af, richting Leck. Daar aangekomen bleek er een wegafsluiting, en kon ik een heel end terug, tot ik een shortcut zag, dat ook nog eens een aardig weggetje bleek.
Eenmaal over de Duits-Deense grens werd het landschap nòg extensiever.
Bij het mooie kerkje van Hjerpsted maakte ik een stop en een foto.

En dan… is daar eindelijk de dam. De dam die van Rømø een schiereiland maakt. Veel kwelder aan weerszijden om te beginnen. Daarna wordt de dijk omgeven door wat water. Halverwege stop ik op een kleine parkeerplaats. Spectaculair is het allemaal niet. Een beetje alsof je door Zeeland rijdt, en dan nog niet eens over de Deltawerken.
Op Rømø aangekomen sla ik linksaf en rij ik naar hotel Kommandørgården. Ik parkeer de bus voor het hotel en loop de camping op naar het camperterrein om te zien of er plaatsen vrij zijn en welke daarvan het beste liggen. Tot mijn verbazing is er plek zat, en staan er maar weinig campers aan de rand die grenst aan de kwelder, met (in de verte) zicht op het Wad. Ik noteer de plaatsnummers waarop ik bij voorkeur wil staan, en loop terug naar het hotel, waar ook de receptie voor de camping is.
Daar beland ik in een surrealistisch decor van een Lars von Trier- of Thomas Vinterberg-film, vol met gestoorde en onaangepaste mensen. Aan de leestafel zit een simpele van geest, die om vier uur ‘s middags ongevraagd van bier wordt voorzien. Achter de balie staat een lompe vrouw in een morsig t-shirt, die de baas (b)lijkt. Een Duitse, emotieloze vrouw werkt achter een pc. Dan komt er een ontevreden kijkende, dikke, oude vrouw binnen, die dwars door alles heen iets roept. Ik kan niet verstaan wat ze zegt, maar het lijkt erop dat ze dringend iets moet hebben. Ze wordt gevolgd door een dunne vrouw met een bochel, die ook iets ingewikkelds wil. Na enige tijd komt de morsige bazin terug met een ijsje voor de dikke en een kop koffie voor de gebochelde. Vóór de balie staan enkele hotelgasten in te checken of wat te vragen. Ook zij lijken zó uit een duistere Deense film weggelopen.
Uiteindelijk word ik door de Duitse geholpen en krijg ik onverwacht vlot de plek die ik wilde hebben. Ik rijd de bus naar zijn plaats en maak hem deels gereed voor de nacht.

Als de bus gereed is, pak ik de fiets en rijd naar Havneby, het havenplaatsje aan de zuidpunt van Rømø, om Deense kronen te tappen en wat te eten. Daar aangekomen, zie ik architectonisch fraaie, moderne huizen met uitzicht op het Wad, een aardige boulevard en de aankomst van de ferry tussen Rømø en het Duitse eiland Sylt.


Ik wandel een stukje (over de boulevard), fiets dan door naar het haventje – waar de ferry inmiddels is aangekomen – en hang daar rond tot de boot weer vertrekt.




Nu wordt het toch echt hoog tijd om wat te gaan eten. Dat blijkt nog niet zo makkelijk. De eettentjes die ik had gezien, zijn òfwel dicht, òfwel blijken al dan niet veredelde snackbars. Er is ook een wat serieuzer restaurant, maar het terras ervan zit nogal vol. Ik fiets naar het westen, zie even later een pannenkoekenhuis en een pizzeria; beide trekken me niet aan. Een bord verwijst naar een grill-restaurant, 400 meter verderop. Ik fiets erheen. Het blijkt gesloten. Ik rij weer terug, en kom dan bij het restaurant, waar nu op het terras meer plek is. Ik vind een tafeltje in de zon, en moet dan eindeloos lang wachten tot ik om de kaart kan vragen.
Uiteindelijk krijg ik een best smakelijke maaltijd geserveerd (een visstoofpotje met spinazie en kaas). Ik fiets voldaan naar de camping, waar ik nog lang buiten zit met een biertje, bij het licht van een vanmiddag gekochte kaars.
