Naar Jemmigen

Het mooie weer nodigde uit tot een ritje met de bus. Als reisdoel voor vandaag koos ik Jemgum, in het Duitse deel van het Reiderland, net over de grens. In de gemeente Jengjum was ik al eerder (toen ik – in september 2023 – in het pittoreske Ditzum verbleef tijdens een rondje om de Dollard), maar het gelijknamige dorpje had ik nog nooit bezocht. Het ligt iets stroomopwaarts ten opzichte van Ditzum aan de Eems, die ze in deze streken Ems noemen.

Toen ik thuis ter voorbereiding op deze tocht op interneet keek of er bezienswaardigheden waren, leerde ik dat Jemgum in het (oud-)Nederlands Jemmigen heet, en dat hier in het verleden twee veldslagen hebben plaatsgevonden, in 1533 en 1568. Deze laatste slag vond plaats aan het begin van de Tachtigjarige oorlog, en leverde een gevoelig verlies op voor de staatsgezinde troepen van Lodewijk van Nassau tegen het Spaanse leger van Alva, en dat nadat twee maanden eerder de staatsgezinden nog een klinkende overwinning hadden behaald bij het nabijgelegen Heiligerlee.

Het eerste deel van de trip tufte ik gezapig over de A7, deels in het zog van een vrachtwagen. Bij Nieuweschans passeerde ik – verrassend genoeg zonder aangehouden te worden – de grenscontrole van Polizei und Zoll, om daarna de autobahn te verlaten teneinde in Bunde enige einkaufen te doen.

Even buiten Bunde, bij Bunderhee, staat een fraai steenhuis, een versterkt woonhuis. Het is het enige nog bestaande steenhuis van Oost-Friesland. Ik parkeerde mijn bus ervoor voor een staatsieportret.

Over kleine weggetjes – waar menig Duitse Schumacher-reïncarnatie rücksichtslos 100 rijdt, gewoon omdat het mag – sukkelde ik richting Jemgum. Vlak voor het dorpje zag ik aan de linker- en rechterkant van de weg de bovengrondse installaties van een ondergrondse gasopslag, de Erdgasspeicher Jemgum.

Jemgum is een vrijwel uitgestorven dorp, met weinig aantrekkelijks. Het jachthaventje ligt aardig aan de Eems, maar ook daar is geen levende ziel te bekennen. Nadat ik een foto van de bus maakte, parkeerde ik deze op een iets hoger gelegen grasveldje, waar ook een andere auto stond en enkele trailers met bootjes. Nog geen tien passen was ik van mijn bus verwijderd toen er een oude Mercedes het kadetje kwam oprijden, met daarin een nog oudere man die mij met een dwingend gebaar naar zich noodde. Of ik de eigenaar van dat Hollandse busje was, en – toen ik dat besmuikt bevestigde – of ik daar wilde kamperen? Ik antwoordde naar waarheid ontkennend, er ook van uitgaand dat zulks niet zou mogen, en verklaarde dat ik slechts wat bij het haventje wilde rondlopen. Tot mijn verbazing zei de ouwe dat kamperen daar was toegestaan, en toen ik aangaf dat ik zulks nog steeds niet van plan was en ook de spullen daartoe niet bij me had, reageerde hij bijna teleurgesteld. Wellicht had hij gehoopt de kas van de misschien wel noodlijdende jachthavenvereniging wat te kunnen spekken met het stageld van een kampeerder.

Ik loop wat rond de haven, naar het naastgelegen restaurant, dat gesloten is. Ik kijk uit over de Eems, een getijdenrivier – dat zien we in Nederland helaas bijna nergens meer – zodat het haventje bij laag water deels droogvalt.

Daarna rijd ik nog wat rondjes door het dorp, dat verder niet veel te bieden heeft. Na een paar keer – door het eenrichtingsverkeer – door dezelfde straatjes te hebben gehobbeld, draai ik de doorgaande weg in noordelijke richting op, naar het nog kleinere dorpje Midlum, zo’n 3 kilometer verderop.

Daar is een aardig kerkje met een bijbehorende, losstaande klokkentoren, die naar verluidt de scheefste toren ter wereld is, veel schever dan die van Pisa of de Leeuwarder Oldenhove, hoewel je het nauwelijks een toren kan noemen: het bouwwerk is niet veel hoger dan het lang of breed is. Maar scheef is hij wel. Mooi is te zien hoe de bouwers door het plaatsen van een steunmuur het scheefzakken hebben geprobeerd te keren en vervolgens het puntdak wel min of meer waterpas hebben aangebracht.

De kerk heeft het sobere interieur dat ook andere kerkjes in de noordelijke regio’s en ook die in Scandinavië hebben. Een aardig detail is dat de tekst op het orgel in het Nederlands aangeeft dat het instrument in 1766 werd gebouwd, hetgeen maar aantoont dat dit stukje Duitsland eigenlijk gewoon bij Nederland hoort. Vanwaar dus die grenscontroles?


Reacties zijn gesloten.

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

Ontwerp een vergelijkbare site met WordPress.com
Aan de slag