Als ik opsta zijn er al diverse medewerkers van de gemeente op het terrein aan het werk. De gebruikelijke schoonmakers van sanitair en afvalstation, maar ook een aantal mannen die in een hoogwerker aan een elektriciteits- of schakelkast in een mast aan het werk zijn. Stroom is er evenwel nog steeds niet. Dat wordt dus niet douchen, want geen warm water.
Na een kop lauwe koffie (de omvormer slaat steeds uit als de dompelaar even is ingeschakeld) en tandenpoetsen, fiets ik nog een rondje over het terrein en langs het Wad. Helaas kom ik niet ver, want het fietspad gaat al snel over in een wandelpad.
Ik maak nog een paar foto’s en vertrek.


Vandaag staan er twee veerponten, over twee rivieren, op het programma. Als eerste de Wezer, waar bij Brake de pont al klaarligt als ik eraan kom. Ik rij de boot op, en we vertrekken. Het is maar een korte overtocht naar Sandstedt.
Door een wat armoedige streek die me landschappelijk en qua bebouwing wat aan Twente doet denken, rij ik naar Wischhafen, waar de Elbefähre vertrekt. De Garmin leidt me weer eens over vreemde routes – soms verrassend leuk, maar vaak vervelend, irritant, want onnodig om of slingerend en dwars door woonwijken. Zo kiest de navigator er bijvoorbeeld voor om me over de K12 door Hamelwördenermoor te leiden, in plaats van gewoon de B495 te volgen. Onbegrijpelijk.
Vlak na deze onzinnige route kom ik dan toch op de toegangsweg naar de ferry. Daar sluit ik aan op een honderden meters lange wachtrij. Achter me komt al snel een oldtimer Mercedes Benz truck te staan, en dat voelt – tussen de campers, vrachtwagens en enkele personenauto’s – toch een beetje als gedeelde smart.


Af en toe rijden we een stukje, dan staan we weer een tijd stil. Ik monster de snelheid van de rij, schat de afstand tot de veerboot, en bereken dan dat dit oponthoud wel eens één à anderhalf uur kan gaan duren. Dan zie ik plots in de verte een rederij-medewerker op een scootertje langs de rij scheuren. Hij pikt er enkele personenauto’s uit en wenkt dat deze langs de file naar de ferry mogen rijden. Als er geen plek meer is op de veerboot voor campers en trucks wordt de nog aanwezige ruimte opgevuld met enkele personenauto’s.
Na enige tijd word ik door de scooteraar langs de rij naar voren gedirigeerd en rij ik de ferry op.

Waar de Wezer nog een rivier is van voor ons Nederlanders normale proporties, is de Elbe van een ander niveau. Breeeeed! De overtocht duurt dan ook een klein halfuur en onderweg zien we een aardig zeeschip de rivier opstomen; heel wat anders dan de binnenvaartschepen op Rijn, Waal of Maas.



Aan de overkant van de rivier, in Glückstadt, staat ook al een forse rij voertuigen te wachten. Opvallend is ook hier het grote aantal trucks, terwijl niet zo heel veel verderop, bij Hamburg, de Elbe gewoon via een tunnel in de A7 gekruist kan worden. Enkele tientallen kilometers omrijden zou toch moeten opwegen tegen misschien wel een paar uur wachttijd voor de ferry. Zou de tol op Duitse snelwegen voor LKW’s hier een rol spelen?
Ik rij noordwaarts, langs de de Elbe waar ik overigens weinig van zie, en vertrouw op de Garmin. Dom, dom, dom, dom. Die leidt me weer eens van de B-weg af over een klein weggetje. Via een industrieterrein, met de kerncentrale van Brünsbüttel, kom ik opeens bij een pontje over het Nord-Ostsee-kanaal. Het veer vaart net voor mijn neus weg. Het is warm, ik ben al laat, dus ik baal van monsieur Garmin.
Na een vertraging van zo’n 20 minuten sta ik dan toch aan de overkant. Geluk bij een ongeluk: de overtocht was gratis.
Ik rij verder door het noorden van Duitsland, waar het landschap nogal op noord-Groningen lijkt, maar dan (nog) extensiever. Over rustige wegen tuf ik genoeglijk in het zonnetje richting het Eidersperrwerk. Want naast de Weser en de Elbe kruis ik nog een rivier: de Eider. Ditmaal echter niet per ferry, maar gewoon via de weg over de stuw.
Maar eerst stop ik even aan de zuidkant van de Eidermonding, die hier zo breed is als het Lauwersmeer, maar even verderop zelfs als de Eems-Dollard. Wie denkt dat Nederland (en vooruit: Vlaanderen) de enige rivierdelta aan de Noordzee is, moet eens in het noorden van Duitsland gaan kijken.

Bij het paviljoen op de parkeerplaats van de Eider-zeewering zijn professionele opnames gaande voor een film of tv-serie. Tatort? Mord am Eidersperrwerk? Ik maak er – anders dan veel Duitse toeristen – geen foto van, maar wel van het wad-achtige uitzicht achter het paviljoen.

Dan rijd ik door naar Tönning, waar een camperplaats met de verleidelijke naam Eiderblick mijn doel is. Dat valt tegen. Wie op de eerste rij staat heeft inderdaad een mooi uitzicht op de rivier, maar ik krijg een plaatsje toegewezen in de schaduw (en de herrie van de afzuiginstallatie) van een naastgelegen hotel.
Ik maak de bus gereed voor de nacht en ga dan wat eten in de Imbiß. Dat blijkt een wel erg ordinaire snackbar, met vette, gefrituurde vis en slappe patat. Maar het bier smaakte lecker.
