Na een toch wel lange rit door Duitsland, door het Duitstalige deel van België en door Luxemburg (met veel omleidingen en waarbij de bus het af en toe best moeilijk had heuvel op) kwam ik gisteravond aan op een camping in Diekirch. Eind augustus zijn de meeste vakantiegangers alweer naar huis, dus ik kon een mooi plaatsje uitzoeken naast de rivier de Sauer. Een riviertje zoals het hoort, zacht kabbelend, met wat vogels die naar visjes duiken.
Na me te hebben geïnstalleerd, eet ik wat in het bij de camping behorende ‘Grand Café’ dat meer op een Ierse pub lijkt en waar de muziekkeuze een bedenkelijk schlager-gehalte heeft. Wel doe ik er een nieuwe levenswijsheid op, namelijk dat bier eigenlijk sla is:
Na ’s ochtends helaas kennis te hebben gemaakt met mijn buurman-campeerder – een babbelzieke, Duitse, behinderte kermisklant (ik had het moeten weten, gezien de carré-opstelling van een aftandse Ford Taunus-bus, een afgeragde caravan en een smoezelige partytent) – toog ik naar de hoofdstad Luxemburg. Waarom ik daar naartoe wilde, weet ik eigenlijk niet, en inmiddels weet ik dat ik daar helemaal niet naartoe had moeten willen.
Eerst reed ik drie kwartier rondjes om een parkeerplaats te vinden. Toen ik die eindelijk gevonden had, begon het gestaag te regenen. Ik ging een broodjeshuis in, waar een onsmakelijke dame in een ongezellige, viezige ruimte mij een liefdeloos gemaakt broodje zalm voorzette.
Ik slenterde vervolgens een rondje door het historische centrum, dat verrassend kleinschalig bleek te zijn en best wat aardige maar niet spectaculaire gebouwen herbergde, en maakte een foto van een standbeeld van onze eigen Willem II, die ook groothertog van Luxemburg was. Het beeld is identiek aan dat in Den Haag, dat aan het Buitenhof staat. Opvallend genoeg is de Haagse versie een kopie van het Luxemburgse origineel.
Eigenlijk is nog het aardigste aan Luxemburg-stad het ravijn van de rivier Pétrusse, die het centrum scheidt van de wijk Gare, en de twee forse bruggen die de kloof overspannen: de Passerelle (ook wel Oude Brug genoemd) en de Adolfsbrug. Plichtmatig neem ik er wat foto’s van.
Bij terugkeer in Diekirch blijkt mijn plaatsje inmiddels geheel omringd door nieuw aangekomen campers en caravans, allemaal Hollanders en met honden bovendien, die – Hollanders eigen – vrij ronddraven terwijl de campingregels toch duidelijk voorschrijven dat de viervoeters aangelijnd dienen te zijn. Bovendien komt de Duitse kermisklant me uitnodigen voor een biertje. Gelukkig zit ik net aan de wijn, waar hij erg van schrikt, en dus begrijpt hij dat ik geen bier met hem kom drinken.
In plaats daarvan verkas ik mijn hele handel zo snel mogelijk naar een paar plaatsen verderop. Rust!





