Horumersiel

Jever is Oldenburg in het klein, met een suikerslot en een mooie oude kerk waar ze een lelijke, moderne uitbouw tegenaan hebben gezet. Het is een stadje dat ruikt naar verschraald bier en waarvan de straatjes in de binnenstad steeds flink wat meer historische schoonheid beloven dan ze waarmaken. Niemand heeft hier wat te zoeken, tenzij je naar het Bismarck-museum zou willen, maar dat is inmiddels ook al gesloten.

Ik ben hier beland omdat vanochtend bij het vertrek uit Neuharlingersiel de hele kuststrook onder een hardnekkig wolkendek bleek te zitten en ik hoopte landinwaarts wat meer zon te pakken. Dat lukt, maar veel meer dan wat zonnestralen leverde mijn bezoek aan Jever niet op. Na er een uurtje verveeld rondgeslenterd te hebben, stapte ik weer in mijn bus, en reed kustwaarts.

Rijdend in Waddewarden zag ik bij zo’n oude mini-brandweerkazerne waar ze in Duitsland het patent op lijken te hebben opeens een oude T3-brandweerbus staan. Mijn broertje! Zij het watergekoeld. Gewoon nog in gebruik.

Hoewel het vrijdagmiddag is, en ik voorzie dat het vanwege het mooie weer moeilijk zal worden een campeerplek aan de kust te vinden – en hoe eerder ik daar ben, hoe beter, dus – besluit ik mijn bus voor de Waddewardener brandweerbus te parkeren en de oranje zwaailichtkap om te wisselen voor de blauwe.

Bij de camping in Hooksiel aangekomen, blijkt de verwachte drukte nog verre te worden overtroffen. Bij de receptie staat een flinke wachtrij, die maar niet korter wordt omdat er één receptioniste is die een moeilijk geval moet afhandelen. Na een kwartier in de rij te hebben gestaan blijkt dat campers ook op een afgescheiden deel van de camping kunnen staan, waar je zonder je eerst bij de receptie te melden kunt oprijden. Ik doe dat, maar stel vast dat hier geen aantrekkelijke plaatsen meer zijn, en ik vertrek.

Ik zet mijn hoop op een camperplaats bij de jachthaven van Horumersiel, waar ik inderdaad nog een plek vind. Weliswaar niet aan het water, maar op de tweede rij. Maar daar is nog redelijk wat plaats, en ik ga wat verder weg staan, en zet mijn bus dwars, twee vakken beslaand. Plek zat, immers.

De sanitaire voorzieningen zijn in het bijgelegen havenkantoor, waar ook een restaurant, eigenlijk meer een snackbar, is gevestigd. Het sanitair is vies en verouderd, en ook het restaurant ziet er derderangs uit, maar de gebakken scholfilet met Bratkartoffeln zijn een aanrader.

Later op de avond wordt het toch steeds drukker, en ik raak nog aardig ingesloten. Eigenlijk zou ik nu wel willen verkassen naar het meest westelijke vak, want dan sta ik tenminste nog vrij aan één kant, maar ik hik wat tegen de verplaatsing aan, omdat ik alle zonwering al voor de ramen heb. Dan komen er twee campers aan, die bij elkaar lijken te horen. Er zijn nog 2 plekken vrij, naast mij en het plekje dat ik wel zou willen hebben. Als de plek naast mij bezet wordt moet ik sowieso de bus verzetten, omdat ik dwars sta. Als ik dan toch de bus moet verrijden, dan ook maar meteen naar de beste plek. Ik bied dus de twee camperaars aan dat ze naast elkaar kunnen staan, waar ze zeer blij mee zijn. Ik verplaats mijn bus, en heb vrienden voor het leven.

(29 juni 2018)


Reacties zijn gesloten.

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

Ontwerp een vergelijkbare site met WordPress.com
Aan de slag